![]() |
|
|
|
|
|
|
|
|
![]() |
|
|
|
|
UIT HET ZAKWOORDENBOEK
VAN FACULTATIEF, tijdschrift van de Faculteit voor Mens en Samenleving |
|
|
Begeleiden
|
Begrijpen |
Confrontatie Fenomenologische grondhouding | Volgen en sturen |
|
| |||||||||||||||
| FENOMENOLOGISCHE GRONDHOUDING | |||||||||||||||
|
De
fenomenologische grondhouding (afgeleid van het Grieks werkwoord 'phainomai':
laten verschijnen) veronderstelt dat men datgene wat men wenst te
bestuderen, laat verschijnen zoals het zich voordoet in de context waarin
het zich aan ons vertoont. HET FENOMEEN IN ZIJN CONTEXT ALS UITGANGSPUNT De fenomenologie tracht betrouwbare en valiede kennis te verzamelen, niet vanuit een neutraal observerend standpunt, maar vanuit een participerend standpunt, waarbij de onderzoeker zichzelf openstelt voor datgene wat zich aan hem ontvouwt. De relatie tot datgene wat hij wil bestuderen of begrijpen, is eerder een relatie van deelnemer dan van waarnemer, van medestander dan van observator. Om mensen en hun gedrag te kunnen doorgronden moeten we geen causale relaties blootleggen, maar de betekenisrelaties ontdekken, d.w.z. de zin die iets heeft in zijn context We begrijpen iemand pas goed wanneer we weten hoe zijn wereld eruit ziet, hoe het met zijn wereld gesteld is, d.w.z. met welke dingen hij bezig is, hoe zijn relatie tot en zijn betekenen van deze dingen is. Een voorbeeld ter verduidelijking: een jongen van negen toont een bezoeker zijn kamer; de bezoeker mag er even verwijlen, zo kan hij zien welke dingen de jongen in zijn kamer verzamelt, welk speelgoed, welke muziek, welke boeken, welke posters... Door zijn kamer te te tonen laat de jongen veel van zichzelf zien aan deze bezoeker, hij laat zijn dingen zien. Zo krijgt de bezoeker een beeld van de dingen die deze jongen bezighouden, en van zijn uitwisseling met zijn wereld. Persoon en wereld vormen samen een interactieveld. Deze eenheid kan niet verbroken worden, zonder onrecht te doen aan de samenstellende elementen. We zien steeds de dingen zoals ze een betekenis voor ons hebben, en zonder deze betekenis zijn ze er eigenlijk niet voor ons. Ze betekenen dan niets, het ding is er dan evengoed niet want we merken het niet eens op. "On ne voit se qu'on regarde". Helpen vanuit een fenomenologische grondhouding De fenomenologisch ingestelde hulpverlener zal de cliënt niet willen herleiden tot zijn probleemsituatie (tot zijn ziekte bijvoorbeeld), maar contacteert de cliënt op de eerste plaats als iemand, als deze unieke persoon in deze concrete leefwereld, iemand die zich situeert in zijn wereld en die zich daarin op een hem eigen wijze beweegt en bewogen wordt. Hij benadert de mens als iemand die zich uitwisselt met zijn omgeving, de wereld waarin hij zich samen met anderen en bij de dingen bevindt. Helpen begint met zich zo dicht mogelijk te houden bij wat er te zien is, zonder dit meteen in te vullen vanuit zijn eigen oordelen of gedachten. De helper benadert de verschijnselen zoals ze zijn, hij reduceert ze niet tot tot wat losgekoppelde zaken, tot wat zakelijk bestudeerd kan worden door ze uit de situatie te lichten, hij laat de dingen meer uit zichzelf oplichten in hun situatie, en neemt zorgvuldig en respectvol waar wat gebeurt. De fenomenologische houding stimuleert hem om het gedrag en het beleven van mensen te begrijpen als een unieke wijze van reageren, die zinvol is in relatie tot de leefsituatie. Het is in wezen een terugkeer tot de oorspronkelijke ontmoeting met de wereld, die begrepen wordt als een een relatieveld. Eerst wil hij waarnemen, zich verplaatsend in deze persoon, om diens situatie vanuit zijn belevingsgrond te vatten. Hij weerhoudt zichzelf van te snelle oordelen over deze persoonlijke situatie. Het eerste oordeel dient dat van de cliënt zelf te zijn, zoals die zichzelf in zijn situatie ondervindt. Wie zich kan verplaatsen in de wereld van de cliënt, wie kan meemaken wat daar gebeurt, die ziet en bevat de dingen zoals de cliënt. Hij vat ze werkelijk. De helpende dialoog zal er in bestaan zich te delen met de wereld van de cliënt. Want wie wil helpen, moet weten wat er in een bepaalde situatie gebeurt, niet objectief, maar in de persoonlijke beleving van de mens die hij assisteert. BEZIG ZIJN MET WAT ER IS Dit is de grondregel: de assistent in het helpend proces houdt zich bezig met wat hier gegeven is, wat voor de hand ligt. Hij concentreert zich op het manifeste. Letterlijk betekent dit (uit het Latijn): waar iemand de hand tegen stoot, waar hij tegenaan loopt. Dezelfde betekenis vinden we in het woord 'probleem' (uit het Grieks): wat voor ons ligt, wat voor de hand ligt, waar we op stoten. Daar houdt de hulpverlener zich mee bezig. Niet met wat hij zou willen dat er is, of wat er zou moeten zijn, of wat er geweest is. Hij geeft zijn aandacht aan wat er gegeven is in de cliëntsituatie en dit vanuit het standpunt van iemand die deelneemt aan de situatie. Hij volgt en blijft trouw aan het gegevene zoals dat zich in het beleven en handelen van de cliënt zelf toont. Hij gaat op zoek naar kennis over de wereld van zijn cliënt, niet vanuit een verklarende benaderingswijze 'van buitenaf', maar door zichzelf in deze wereld toe te laten. Het eigen referentiekader van de helper, de manier waarop hij met zijn wereld omgaat, wordt hier telkens opnieuw opzij gezet. Wat telt, is de werkelijkheid van de cliënt, d.w.z. hoe de cliënt zichzelf en zijn wereld beleeft. Het standpunt van waaruit de dingen begrepen worden, is dus steeds dat van de cliënt, niet dat van de helper. De helper probeert de op die manier verzamelde kennis voortdurend te toetsen via empathisch-proevend verwoorden, en zo steeds accurater alle relevante aspecten van de ander te begrijpen. Zodoende ontdekt hij of zijn begrijpen van het referentiekader van de cliënt juist is. UNIEKE SAMENHANG De begeleider veroorlooft zich enkel individualiserende interpretaties die zich gaandeweg in samenspraak met deze cliënt zelf ontwikkelen en in deze relatie voortdurend getoetst, losgelaten of verdiept worden op de achtergrond van algemeen geldende betekenissen die beide aannemen. Dit in tegenstelling met de empirisch-diagnostische benadering van cliënten, die de cliëntgegevens objectiveert, reduceert, classificeert en causaal verklaart. Met deze veel voorkomende en veelal in de psychiatrie en medische wetenschap gehanteerde benadering is het moeilijk het individuele, eigenaardige en persoonsspecifieke, te doorgronden. Hooguit fungeert het individu als drager van algemene eigenschappen. Daarmee stoot de psychiatrie op grenzen in haar confrontatie met de psychische realiteit… van deze specifieke persoon. De individuele verschijning is eerder storend en versluiert het algemeen beeld. Het bijzondere van deze cliënt in deze situatie dreigt daarin verloren te gaan. Het aannemen van een onafhankelijk en extern verband tussen de verschijnselen verhindert het zicht op de intrinsieke samenhang van wat deze specifieke cliënt in deze bijzondere situatie meemaakt. Mensen zien en beleven alle dingen echter in hun onderlinge samenhang, en in samenhang met henzelf. Wanneer we uitgaan van het bestaan van samenhang, dan is er een heel andere verhouding tot het individuele. De context, de unieke situatie individu-wereld, wordt niet buitengesloten en als storend gezien, maar helpt de fenomenen begrijpelijk te maken. M.a.w. het te beschrijven, te begrijpen verschijnsel wordt steeds opgevat als een deel van een groter betekenis-geheel, een samenhang. Wanneer we een samenhang ervaren in wat ons overkomt dan voelen we ons geholpen. Dan krijgt wat we meemaken een zin. En dat helpt. Ook al verandert er niets aan onze situatie, we beseffen beter wat er aan de hand is, voor de hand liggend is. We krijgen er dan ook handvatten voor. We kunnen er handen aan voeten aan geven. Daar hebben we dikwijls hulp bij nodig, want niemand kan zijn eigen gezicht zien. Ook de direct betrokkenen (familie en vrienden) zitten er dikwijls te dicht met hun neus op. Ze gaan mee onder in ons vaarwater. Helpen, betekent dan: de ander woorden aanreiken die passen bij wat gaande is bij hem in wisselwerking met zijn situatie, waardoor hij zichzelf kan verstaan op een manier dat hij tot nog toe niet deed. Dit is mogelijk doordat de helper gaat staan op de plaats waar de cliënt zich bevindt om te ervaren wat daar is, en tegelijk afstand kan blijven nemen, om als getuige te kunnen toevoegen wat op de standplaats van de cliënt zelf moeilijk waarneembaar en moeilijk verwoordbaar is. Samengevat: kenmerken van een fenomenologische hulpverlening
Georges Wollants | ||||||||||||||