|
|
|
VAN
AANSCHIJN TOT AANSCHIJN
Confrontatie (uit het Latijn: cum-frontare) is een belangrijke, onderschatte
grondhouding
Verwijzend naar de latijnse term, kan men confrontatie het best omschrijven
als: van aangezicht tot aangezicht gaan staan, recht tegenover elkaar gaan
staan, niet achterbaks of schuins, maar in het gezicht.
Zo begrepen, stelt deze helpende grondhouding hoge eisen aan degene die wil
helpen. Het vraagt namelijk dat hij zichzelf voortdurend inschakelt in de
relatie, dat hij de cliënt laat weten wat er in hem omgaat in relatie tot de
cliënt, waar dit nodig is voor deze cliënt. Het kan geen vrijblijvende
houding zijn, waarbij de therapeut zijn persoonlijk beleving achterhoudt.
INGESCHAKELD OF UITGESCHAKELD
Confronteren is dus liefst een activiteit waarbij de helper zichzelf als
instrument inschakelt. Helaas wordt 'confronteren' dikwijls opgevat als: de
cliënt iets meedelen over de cliënt, niet iets over de beleving van de
helper.
Confrontaties, waarbij de hulpverlener zichzelf uitschakelt, blijken in de
praktijk weinig helpend te zijn. Ze plaatsen de cliënt niet tegenover de
reacties van de hulpverlener, maar tegenover diens opmerkingen over de
cliënt. Deze confrontaties zijn meestal keurend, in de zin dat ze vertrekken
vanuit een mening van de helper, die meestal ook een sturende doelstelling
verbergt.
De hulpverlener mikt op dat wat 'niet goed zit' bij de cliënt en op wat de
cliënt 'zou moeten', terwijl hij zichzelf aan de kant plaatst.
Deze manier van confronteren komt vooral voor bij hulpverleners die hun
cliënten willen zien vooruitgaan, en daarbij voor de cliënt een bepaalde
richting voor ogen hebben. Hoezeer deze richting wellicht ook de cliënt zou
vooruithelpen (mocht bij er in stappen), wezenlijk helpen ze niet. Het heeft
geen zin de cliënt te confronteren met wat hij niet kan, dl wat hij zou
meten kunnen en hem, wat nog erger is, met de neus daarin te wrijven. In de
volksmond wordt deze vorm van confrontatie benoemd als: " iemand eens goed
zijn waarheid zeggen'.
Wat de cliënt helpt, is niet zozeer zijn waarheid, maar de zorg die hij
ondervindt van een hulpverlener die zich durft in het aangezicht van de
cliënt te plaatsen. De aanwezige, ingeschakelde, hulpverlener riskeert het
om in te gaan
a) op datgene wat zich bij de cliënt voordoet,
b) op wat zich in de relatie cliënt-hulpverlener voordoet,
en op wat zich bij hemzelf voordoet terwijl hij bij de cliënt is. Terwijl
hij meevoelt met de cliënt blijft bij in voeling met eigen ge-waar-zijn en
beleven, en brengt dit in ten behoeve van het proces van de cliënt.
WAARACHTIGHEID
Dit vereist naast congruentie (wat ik meedeel stemt overeen met hoe ik er
bij zit), maar bovenal waarachtigheid. In het WNT (van Dale) lezen we onder
waarachtigheid: verouderde term, oprecht, eerlijk, rechtvaardig. In de
Bijbel wordt Jahweh de "Waarachtige" genoemd, Hij die is wat Hij is.
Dit mooie, maar in onbruik geraakte woord, heeft etymologisch te maken met
'waar', en 'trouw'. Het is te vertalen als waarheidsgetrouw, en dit in twee
richtingen:
1. trouw aan mezelf: ik laat de cliënt delen in wat er echt in mij gaande
is', geen leugens
2. trouw aan de relatie met de cliënt: ik zeg alles wat in mij omgaat in
zoverre het dienstbaar is aan de cliënt, de therapeutische relatie bevordert
en werkzaam houdt, en geen schade berokkent aan de cliënt of onze relatie .
In mijn confrontaties ben ik waarachtig wanneer mijn meedelen overeenkomt
met wat ik meemaak én als ik dat doe op een manier die rekening houdt met
hoe de relatie is, wat de cliënt meemaakt en diens ontvankelijkheid.
Waarachtigheid is zoveel als authenticiteit die rekening houdt met de ander.
Een confrontatie kan bijvoorbeeld heel eerlijk en oprecht zijn, maar niet
waarachtig, omdat ze niet in overeenstemming is met hoe de relatie is (en de
relatie is in eerste instantie een hulpverstrekkende, faciliterende,
procesbevorderende relatie). Deze relatie vraagt milde, zorgdragende
verwoordingen van hoe ik de cliënt werkelijk beleef. Dus niet op een
afstandelijke manier iemand met crue 'waarheden' rond de oren slaan. Maar
evenmin onbedachtzame mededelingen doen over persoonlijke belevingen die
niet ten dienste zijn van het proces van de cliënt, noch onthullingen uit
mijn privé-leven die geen aarde aan de cliënt‘s dijk brengen.
Wel is het bijvoorbeeld belangrijk dat de hulpverlener, wanneer hij niet
langer de zich monotoon herhalende cliënt kan áánhoren, dit aan de cliënt
laat weten: dit is eerlijk met zichzelf, eerlijk met de cliënt, en bevordert
de helpende relatie, op voorwaarde dat hij het ook brengt op een manier die
rekening houdt met de ontvankelijkheid van deze cliënt. Dit wil zeggen: dat
hij de cliënt moet blijven zién. Respect heeft trouwens alles te maken met
aankijken (uit het Latijn: respicere): terugkijken naar, in acht nemen,
rekening houden met...
MEEVOELEN EN SAMENVALLEN
Respectvolle confrontatie verbindt verregaand meevoelen tegelijk met
gedoseerde frustrering.
De helper erkent wat is, ondersteunt de cliënt waar nodig, maar stapt niet
mee in diens pogingen de hulpverlener in zijn gebruikelijke patronen te
lokken. Door alleen maar te frustreren wordt de hulpverlener een vijandige
omgeving die de cliënt alleen maar versterkt in zijn gebruikelijke patronen.
De kunst van het helpen bestaat er in: de 'twee te smeden tot meevoelende
confrontatie, die er in bestaat aan de cliënt mee te delen' wat de
hulpverlener meemaakt wanneer hij de cliënt zo met zichzelf en met hem ziet
omgaan.
Confrontatie, als noodzakelijke grondhouding, komt in het gedrang wanneer de
hulpverlener niet langer meevoelt met de cliënt maar volledig samenvalt met
de beleving van de cliënt. Dan verliest de hulpverlener zijn flexibel
vermogen om afstand te nemen, en gaat totaal onder in het veld. Hij kan geen
getuige meer van de wereld van zijn cliënt. Hij kan niet meer vrij
waar-nemen.
Georges Wollants
|